Blog

Na een afscheid van een dierbare kan er veel veranderen. Deze veranderingen zorgen vaak voor situaties die moeilijk, onhandig of verdrietig zijn.

Daarover gaan onderstaande verhalen.

'Daar zijn we weer'

Met een diepe zucht stapt ze uit de auto en loopt richting de deur van het kantoor. Monique, die achter de receptie zit, kijkt ongemakkelijk als ze binnenstapt.

‘Sylvia, fijn je te zien. Hoe gaat het?’ Een vraag waar ze geen antwoord op weet.

‘Het gaat wel.’

Ze kijkt de gang in. Haar collega Koen loopt net zijn kantoor uit. Hij schrikt als hij haar ziet.

‘Hoi,’ zegt hij, en duikt snel het keukentje in.

‘Dalfsen verwacht je zo,’ zegt Monique.

Sylvia besluit om maar meteen door te lopen naar het kantoor van de directeur.

Hij zit al achter zijn bureau. ‘Ha, die Sylvia. Daar zijn we weer, hè.’ Ze grinnikt om het contrast van deze begroeting na al die bezorgde gezichten.

‘Hoe gaat het met je?’ Daar is hij weer, de goedbedoelde vraag waar ze geen antwoord op weet.

‘Mooi dat je er weer bent, hoor. Thuis zit je ook maar alleen. Je kunt beter wat onder de mensen zijn. Toch?’

Ze weet niet goed wat te zeggen.

‘Karin heeft je projecten goed opgepakt. De opdrachtgever is tevreden over hoe we dat hebben opgelost. Daar mogen we trots op zijn. Wij gaan empathisch met onze medewerkers om en zorgen dat de klanten er niet onder lijden.’

‘De klanten?’ vraagt Sylvia. Leden die ook onder de dood van Jeroen? De opdrachtgever had haar een kaart gestuurd om haar sterkte te wensen. Ze had er geen seconde over nagedacht of het goed zou komen met Karin en deze klant.

Dalfsen babbelt verder. Er is een nieuw project bij dezelfde opdrachtgever. Nu ze weer terug is, kan Sylvia daar mooi op worden ingezet. Dat is toch weer goed geregeld allemaal.

Ze merkt opeens dat ze nog helemaal niets heeft gezegd. Het lukt haar niet om zich te concentreren op zijn woorden.

‘…en dan moeten we het nog even hebben over je afwezigheid. Hoe zullen we die uren wegschrijven?’

Ze kijkt op. Daar had ze niet over nagedacht. Toen bleek dat Jeroen met spoed moest worden opgenomen, had ze naar kantoor gebeld en gezegd: ‘Hij is ziek en ze kunnen niets meer voor hem doen.’ De woorden ‘hij gaat dood’ kreeg ze toen nog niet over haar lippen.

Na dat telefoontje was het circus begonnen. De ambulance, de geduldige verpleegkundigen, de artsen met de bezorgde gezichten en alleen maar slecht nieuws. De longarts had het over een paar maanden, maar na vier slopende weken in het ziekenhuis, was hij overleden. Best gek dat het ook een opluchting was. De blinde paniek die ze voelde toen Jeroen steeds benauwder werd, maakte dat ze helemaal op was.

‘Ik heb nog geen verlof opgenomen dit jaar,’ hoort ze zichzelf zeggen. Ze rekent uit dat ze zes weken niet op kantoor is geweest. Ze heeft 25 vakantiedagen en het is nu half februari.

‘Nou, weet je wat, dan schrijven we de helft op ‘ziek’. Dat is dan voor onze rekening.’

Dalfsen maakt tevreden een aantekening en Sylvia denkt bezorgd aan de rest van het jaar en haar verloftegoed dat zojuist gekrompen is tot 10 dagen.

Een jaar later

Hij hoort het nieuws onderweg op de radio. Een vliegtuig, met bijna 300 inzittenden, is neergestort. Er zijn Nederlandse slachtoffers. Hoeveel, dat is nog niet zeker.

Thuis zet hij de tv aan voor het Zes uur Journaal. Het vliegtuig ligt in een afgelegen gebied waar het oorlog is. De eerste beelden zijn rauw en aangrijpend. Wrakstukken, koffers, knuffels, reisgidsen en paspoorten. Ze liggen in een smeulend veld met zonnebloemen. En tussen al die persoonlijke spullen liggen ook de lichamen van de slachtoffers. Hij staart geschokt naar de tv.

Bij EenVandaag komen de beelden opnieuw voorbij. Mannen in uniform, met mitrailleurs aan de schouder, lopen tussen de wrakstukken. Inmiddels is duidelijk dat er veel Nederlanders zijn omgekomen. De minister-president keert acuut terug van vakantie. De beelden van het zonnebloemenveld worden afgewisseld met de eerste verhalen over de slachtoffers. Een Australisch echtpaar verliest hun drie jonge kinderen, maar er zijn ook complete gezinnen omgekomen. Hij blijft roerloos naar de tv kijken en merkt niet dat hij honger heeft.

Bibberig zapt hij van journaal naar journaal en tenslotte naar Nieuwsuur. De correspondent is op de rampplek gearriveerd. Aangeslagen doet hij verslag van wat er allemaal gebeurt. Er worden slachtoffers geborgen, maar niemand weet waarheen ze worden gebracht.

Buiten is het inmiddels helemaal donker. Hij heeft nog steeds niets gegeten. Als het laatste nieuwsprogramma is afgelopen, maakt hij zich langzaam los van de tv. Vermoeid staat hij op. De spieren in zijn nek en rug doen pijn. In de keuken drinkt hij een glas water en staart weer voor zich uit.

’s Nachts ziet hij de reddingshelikopter. Eerst het klapperende geluid dat vanuit het dal steeds dichterbij komt. Dan verschijnt de helikopter met een enorm lawaai vanachter een rots en hangt even recht voor hem. Met een bocht landt hij op een vlak stuk weide van de Alp. Mannen in rode overalls lopen snel naar hem toe. Hij staat er als verlamd. Zijn benen voelt hij niet. Bezweet schrikt hij wakker. Hij staart naar het plafond totdat het buiten langzaam licht wordt.

’s Ochtends loopt hij met een kop koffie automatisch weer naar de tv. Het is chaotisch op de rampplek, vertelt de correspondent. Lichamen worden verplaatst en geborgen. Er zou ergens een trein staan. Niemand kan zeggen hoeveel lichamen daarin liggen en wanneer deze worden vrijgegeven. Hij kan zich niet van de tv losmaken.

De dagen erna zijn, ondanks de zomer, donker en somber. Als plotseling de bel gaat, weet hij niet welke dag het is, of hoe laat. Met een zucht staat hij op. De buurvrouw vraagt voorzichtig of het allemaal wel goed gaat. De gordijnen zijn al twee dagen niet open geweest. Hij merkt dat hij niet wil praten en doet de deur, zo gauw als hij kan, weer dicht.

Dan komt het bericht dat de trein kan vertrekken. De slachtoffers zullen morgen in Nederland aankomen.

’s Nachts staat hij weer op de berg. Het reanimeren bleek tevergeefs. Direct nadat ze in elkaar was gezakt, zag hij hoe het leven uit haar lichaam verdween. Die stralende dag in de bergen eindigde donker in de helikopter naast het levenloze lichaam van zijn vrouw. Hij moest zijn dochters bellen. En sterk zijn.

De volgende dag zit hij op tijd en gespannen voor de tv. De twee vliegtuigen verschijnen aan de horizon en landen stipt op tijd. Na een indrukwekkende ceremonie op de luchthaven volgt de minuut stilte.

In de verte luiden de kerkklokken.

En voor het eerst, een jaar na de Alp, huilt hij.

Feest

Een goudkleurige envelop ligt op de keukentafel. Geadresseerd aan Robert en Suus. Met een geïrriteerde zucht heb ik hem daar twee dagen geleden neergesmeten. Ik twijfel een moment maar scheur de envelop dan toch slordig open. Kleurige confetti dwarrelt op de tafel en de vloer. ‘FEEST’ staat er met grote letters op de kaart. Jos en Lenny worden samen 80. ‘Dit willen we graag met jullie vieren.’ Jullie.

Jos en Lenny. Dat is een poos geleden. Ik herinner me een e-mail. ‘Veel sterkte. Laat het weten als we iets voor je kunnen doen.’ Die woorden heb ik op tientallen kaarten gelezen. Lief. Maar zo werkt het niet.

En nu dus ‘FEEST’. Ik peins over het vriendengroepje rond Jos en Lenny. Even denken: Roel en Lonneke, Joep en Eva, Bram en Anouk. Wie nog meer? Oh ja, Hans en Trudy.

Ik besluit dat ik ga.

Het is een kroeg. Dat is fijn. Niemand kijkt op als je arriveert. Ik open de deur van het café en sta meteen midden in het feestgedruis. Wat beduusd kijk ik rond.

‘Hee Suus. Dat is lang geleden.’ Het is Hans. Trudy staat een stap achter hem en kijkt wat onzeker naar me.

‘Heb je Robert thuisgelaten?’ Hans krijgt een por in zijn rug van Trudy. Ze duwt Hans opzij en snelt naar me toe. ‘Hoe gaat het met je? Red je het allemaal een beetje?’ Ze kijkt me bezorgd aan. Hans kijkt verbaasd.

‘Gaat wel hoor. Met jullie?’

‘Bij ons prima. Hoe lang is het nou geleden, Suus?’ 23 weken en nog steeds is woensdag de moeilijkste dag van de week.

‘Een half jaar zoiets,’ zeg ik. Ik weet niet waarom ik er vier weken bij tel. Waarschijnlijk om het voor Trudy minder naar te maken.

‘Goh Suus,’ zegt ze. Ik mag Trudy.

‘Lief dat je er naar vraagt, maar we hoeven het er niet over te hebben. Gaan jullie nog op vakantie?’

Beiden opgelucht, babbelen we over Umbrië. Fantastisch mooi. Veel beter dan het drukke Toscane. ‘De basiliek van San Franciscus in Assisi mag je echt niet missen,’ hoor ik mezelf zeggen. Verder wil ik niet aan Italië denken.

Lonneke beschrijft een aantal grappige anekdotes over Jos en Lenny in haar speech. Een scherm toont foto’s van jaren geleden. Robert staat er ontspannen lachend op. Mooie foto.

De avond valt me mee, merk ik. Als ik naar de bar loop, zie ik Hans daar bij Joep en Roel staan. Hij zal ze ongetwijfeld gewaarschuwd hebben. Zodat zij niet dezelfde fout maken als hij daarstraks. Ik grinnik.

En dan zegt Joep jolig: ‘Hee Suus, ik hoor dat je weer single bent.’